X

Vimy Cross QR code page

België

Klik op de vlag om de vertaling van het paneel te zien. Klik op de knop om de site van het 15th Battalion Memorial Project te bezoeken. (Alleen Engels)

France

Cliquez sur le drapeau pour voir la traduction du panneau. Cliquez sur le bouton pour visiter le site du projet commémoratif du 15e bataillon. (Anglais)

Deutschland

Klicken Sie auf die Flagge, um die Übersetzung des Panels anzuzeigen. Klicken Sie auf die Schaltfläche, um die Website des 15th Battalion Memorial Project zu besuchen. (Nur Englisch)

Canada
English

Click the flag to learn more about this memorial.

Learn about the 15th Battalion Canadian Expeditionary Force Memorial Project. (English web site.)

DE SLAG OM VIMY RIDGE

15E BATALJON (48TH HIGHLANDERS OF CANADA) 3E BRIGADE 1E DIVISIE CANADEES EXPEDITIEKORPS

Paneel 1

In de weken voorafgaand aan 9 april 1917 was het 15e Bataljon Canadese Infanterie ingekwartierd nabij het dorp Estrée-Cauchie, aan de andere kant van Mont St Eloi. De soldaten werden vertrouwd gemaakt met het terrein waarover zij zouden aanvallen door te oefenen op nagebouwde loopgraafstelsels. Soldaten die gespecialiseerd waren in het gebruik van machinegeweren of granaten kregen aanvullende training, terwijl alle rangen een praktische opleiding in gevechtsmanoeuvres ondergingen. Aan de vooravond van de slag bedroeg de sterkte van het bataljon 21 officieren en 839 andere rangen.

Drie van de vier compagnieën trokken op de avond van 5 april op naar het tunnelstelsel bij Maison Blanche. Deze ondergrondse grot was in 1915 door de Fransen veroverd. De krijtmuren boden menig soldaat de gelegenheid zijn sporen in de geschiedenis achter te laten. De frontlijnbezetting werd afgewisseld, met één compagnie in de frontlijn, één in de Elbe Loopgraaf (een verzonken weg) als steun, en de reservecompagnie in de tunnels. Het hoofdkwartier was gevestigd in de Douai-tunnel, aangelegd door de Royal Engineers en gebruikt als beschutte toegangsweg naar de frontlijn.

Direct voor de ‘Highlanders’ van het 15e Bataljon lag een zachte helling naar beneden in de richting van de weg Arras–Lens. De 1e Canadese Divisie vormde de rechterflank van het Canadese Korps en zou drie kilometer open terrein moeten oversteken voordat zij de oostelijke rand van Vimy Ridge bereikte.

In de late uren van 8 april marcheerde Nr. 3 Compagnie op vanuit het Bois des Alleux, terwijl het gehele bataljon zich gereedmaakte voor de volgende dag. Luitenant-kolonel Charles Bent, commandant van het 15e Bataljon, stelde zijn compagnieën als volgt op: Nr. 1 (Kapitein Turnbull) links; Nr. 4 (Majoor Fraser) rechts; Nr. 2 (Kapitein Grant) als steun; Nr. 3 (Kapitein Maybin) in reserve. In het niemandsland waren ondiepe greppels gegraven en om 03.30 uur hadden de eerste golven zich opgesteld vóór de Canadese versperringen, gereed voor het Nuluur.

Om 05.30 uur bereikte het artilleriebarrage zijn hoogtepunt en sprongen de eerste golven naar voren. De Duitse artillerie was tot zwijgen gebracht, maar er waren nog talrijke machinegeweren die uitgeschakeld moesten worden. Het weer was nat en sloeg om naar sneeuw. De helling af gingen de Highlanders. Het eerste doel was de Zwolfer Weg, op de kaarten aangeduid als de Zwarte Lijn, gelegen aan de andere zijde van de weg Arras–Lens.

De eerste aanval verliep betrekkelijk gemakkelijk. De verdedigers bleken in staat van shock te verkeren en werden gevangen genomen voordat zij de kans kregen te reageren. Er volgde nu een pauze van veertig minuten terwijl de compagnieën zich hergroepeerden. Ondanks alle training waren mannen in de mist van de strijd van elkaar gescheiden geraakt. Dankzij hun intensieve opleiding wist echter iedere man waar hij moest zijn en wat zijn taak was.

Om 06.55 uur begon de tweede fase van de aanval, gericht op de Swischen Stellung vijfhonderd meter verderop — de Rode Lijn, gelegen in het gebied net achter de autowegatansluiting. Binnen vijf minuten was het voorbij; de Highlanders verzamelden hun gevangenen en begonnen hun nieuw veroverde positie te consolideren. Nu was het de beurt aan de 1e Canadese Infanteriebrigade om op te rukken en de aanval voort te zetten in de richting van rechts van Thélus, de Blauwe Lijn en het einddoel op Vimy Ridge — de Bruine Lijn (die zich net buiten de kaart bevond, voorbij Bois Carré).

De aanval van de 1e Canadese Divisie was een doorslaand succes en hun herdenkingskruis zou worden opgericht naast Bois Carré ter ere van de gevallenen.

Paneel 2

In voorbereiding op de aanval werden eenheden aangewezen voor het verzamelen en begraven van hun doden op specifieke locaties. De meeste mannen van het 15e Bataljon die tijdens de aanval sneuvelden, werden begraven op locaties aangeduid als CA 35 en CA 39, met respectievelijk 23 en 39 graven. CA 35 bevond zich vlakbij de uitgang van de Douai-tunnel, terwijl CA 39 vlakbij de hoofdweg naar Arras lag.

De regimentsgeschiedenis suggereert dat het houten kruis van het 15e Bataljon bij CA 39 werd opgericht. Deze begraafplaats (in het bebost gebied aan de andere kant van de weg naar Arras) werd echter vrijwel volledig vernietigd door latere beschietingen, waarbij bijna alle graven verloren gingen. Gedetailleerd onderzoek toont aan dat, hoewel CA 39 meer graven van het 15e Bataljon bevatte dan CA 35, alleen de laatste wordt aangeduid als een ‘regimentsbegraafplaats’, aangezien deze uitsluitend graven van het 15e Bataljon bevatte. Omdat CA 35 verder naar achteren lag, kon de bataljonsmenuisier er in relatieve veiligheid werken. Het feit dat CA 35 met al zijn graven de oorlog intact overleefde en het kruis geen sporen van artilleriebeschietingen vertoont, doet verder vermoeden dat de enige overgebleven foto betrekking heeft op CA 35.

Na de wapenstilstand van 1918 werden de drieëntwintig graven van CA 35 opgegraven en herbegraven in Vak II van Nine Elms Military Cemetery — oorspronkelijk aangelegd door het 14e Bataljon, Royal Montreal Regiment. Slechts drie graven van CA 39 bleven identificeerbaar en zijn te vinden in Vak IV. De overige begravenen van CA 39 zijn verloren gegaan en worden nu herdacht op een speciaal monument langs de voorzijde van de begraafplaats. Opgemerkt dient te worden dat CA 39 oorspronkelijk bekend stond als de Arras Road Cemetery; deze mag niet worden verward met de Arras Road British Cemetery.

Een Franse fotokaart uit 1919 toont duidelijk dat het Vimy-kruis van het 15e Bataljon (groot kruis, tweede van links op de voorgrond) naar Nine Elms Military Cemetery was overgebracht gelijktijdig met de verplaatsing van de graven.

Vervolgens reconstrueerde de CWGC tussen 1919 en 1923 Nine Elms Military Cemetery tot het permanente patroon dat er vandaag de dag te zien is, en werden alle oorlogsherdenkingskruisen verwijderd. In 1923 verwierf de 48th Highlanders of Canada het Vimy-kruis van het 15e Bataljon van de CWGC en bracht het mee terug naar de kazerne van de eenheid in Toronto. Het kruis werd aangebracht op de muur boven het hoofdparadeplein en onthuld tijdens een ceremonie op 30 oktober 1925.

Toen de kazerne in 1963 werd afgebroken, werd het Vimy-kruis overgebracht naar het regimentsmuseum, dat gevestigd was in de Memorial Hall van de 48th Highlanders. In 1997 verhuisde het regimentsmuseum naar zijn huidige locatie in St. Andrew’s Church aan Simcoe Street in Toronto, en het Vimy-kruis is er sindsdien permanent tentoongesteld.

De Erelijst

Een van de mysteries van het kruis is waarom sommige namen erop staan, maar andere ontbreken. Al diegenen die bij CA 35 begraven liggen, zijn als aanvulling op de oorspronkelijke lijst opgenomen, maar niet al diegenen die bij CA 39 begraven liggen, waren bovenaan opgenomen. Enkele namen werden later toegevoegd, wellicht toen het nieuws de timmerman bereikte, en de laatste naam, Luitenant Munro, sneuvelde op 1 mei 1917. Het bataljon keerde slechts nog een paar maal terug naar het gebied, zodat het misschien niet mogelijk was meer namen toe te voegen. We zullen het waarschijnlijk nooit weten.

Deze lijst omvat alle Vimy-slachtoffers van 9 april 1917 tot het einde van mei 1917, plus die van juni die op de begraafplaats begraven liggen. Stanley Effinger was het laatste Vimy-slachtoffer dat aan zijn verwondingen overleed.

DIE SCHLACHT UM DEN VIMY-RÜCKEN

15. BATAILLON (48TH HIGHLANDERS OF CANADA) 3. BRIGADE 1. DIVISION KANADISCHES EXPEDITIONSKORPS

Tafel 1

In den Wochen vor dem 9. April 1917 war das 15. Bataillon Kanadische Infanterie in der Nähe des Dorfes Estrée-Cauchie auf der anderen Seite des Mont St Eloi einquartiert. Die Soldaten wurden mit dem Gelände, über das sie angreifen würden, durch Übungen auf nachgebauten Grabensystemen vertraut gemacht. Soldaten, die auf Maschinengewehre oder Granaten spezialisiert waren, erhielten zusätzliche Ausbildung, während alle Dienstgrade eine praktische Ausbildung in Gefechtsmanövern absolvierten. Am Vorabend der Schlacht belief sich die Stärke des Bataillons auf 21 Offiziere und 839 Mannschaften.

Drei der vier Kompanien rückten am Abend des 5. April in das Tunnelsystem bei Maison Blanche vor. Diese unterirdische Höhle war 1915 von den Franzosen erobert worden. Die Kreidewände boten manchem Soldaten die Gelegenheit, seine Spur in der Geschichte zu hinterlassen. Der Frontliniendienst wurde abwechselnd wahrgenommen, mit einer Kompanie in der Frontlinie, einer in der Elbe-Graben (ein eingesunkener Weg) als Unterstützung und der Reservekompanie in den Tunneln. Das Hauptquartier befand sich im Douai-Tunnel, der von den Royal Engineers angelegt und als geschützter Zugangsweg zur Frontlinie genutzt wurde.

Unmittelbar vor den „Highlanders” des 15. Bataillons erstreckte sich ein sanfter Hang in Richtung der Straße Arras–Lens. Die 1. Kanadische Division bildete den rechten Flügel des Kanadischen Korps und musste drei Kilometer offenes Gelände überqueren, bevor sie den östlichen Rand des Vimy-Rückens erreichte.

In den späten Stunden des 8. April marschierte Nr. 3 Kompanie aus dem Bois des Alleux auf, während sich das gesamte Bataillon für den nächsten Tag bereit machte. Oberstleutnant Charles Bent, Kommandeur des 15. Bataillons, stellte seine Kompanien wie folgt auf: Nr. 1 (Hauptmann Turnbull) links; Nr. 4 (Major Fraser) rechts; Nr. 2 (Hauptmann Grant) als Unterstützung; Nr. 3 (Hauptmann Maybin) in Reserve. Im Niemandsland waren flache Gräben ausgehoben worden, und um 03:30 Uhr hatten sich die ersten Wellen vor dem kanadischen Drahtverhau aufgestellt — bereit für die Stunde X.

Um 05:30 Uhr erreichte das Artilleriesperrfeuer seinen Höhepunkt und die ersten Wellen sprangen vor. Die deutsche Artillerie war zum Schweigen gebracht worden, doch gab es noch zahlreiche Maschinengewehre, die ausgeschaltet werden mussten. Das Wetter war nass und schlug in Schnee um. Die Highlanders gingen den Hang hinunter. Das erste Angriffsziel war der Zwölfer Weg, auf den Karten als Schwarze Linie eingezeichnet und auf der anderen Seite der Straße Arras–Lens gelegen.

Der erste Ansturm verlief verhältnismäßig leicht. Die Verteidiger befanden sich in einem Zustand des Schocks und wurden gefangengenommen, bevor sie Zeit hatten zu reagieren. Es folgte nun eine vierzig Minuten dauernde Pause, während sich die Kompanien neu formierten. Trotz aller Ausbildung waren im Schlachtnebel Männer voneinander getrennt worden. Doch dank ihrer intensiven Schulung wusste jeder Mann, wo er sein sollte und was seine Aufgabe war.

Um 06:55 Uhr begann die zweite Phase des Angriffs auf die Zwischen Stellung fünfhundert Meter entfernt — die Rote Linie, die im Bereich unmittelbar hinter dem Autobahnkreuz lag. Innerhalb von fünf Minuten war es vorbei; die Highlanders sammelten ihre Gefangenen und begannen, ihre neu gewonnene Stellung zu festigen. Nun war es an der 1. Kanadischen Infanteriebrigade, vorzurücken und den Angriff in Richtung rechts von Thélus fortzusetzen — die Blaue Linie und das Endziel auf dem Vimy-Rücken, die Braune Linie (die sich gerade außerhalb der Karte befand, jenseits des Bois Carré).

Der Angriff der 1. Kanadischen Division war ein überwältigender Erfolg, und ihr Gedenkkreuz sollte neben dem Bois Carré zu Ehren der Gefallenen errichtet werden.

Tafel 2

In Vorbereitung auf den Angriff wurden den Einheiten bestimmte Orte für das Sammeln und Beerdigen ihrer Toten zugeteilt. Der Großteil der Männer des 15. Bataillons, die während des Angriffs gefallen waren, wurde an Orten bestattet, die als CA 35 und CA 39 bezeichnet wurden, mit 23 Gräbern im erstgenannten und 39 im letztgenannten. CA 35 befand sich nahe dem Ausgang des Douai-Tunnels, während CA 39 nahe der Hauptstraße nach Arras lag.

Die Regimentsgeschichte legt nahe, dass das hölzerne Kreuz des 15. Bataillons bei CA 39 aufgestellt wurde. Diese Begräbnisstätte (im bewaldeten Bereich auf der anderen Seite der Straße nach Arras) wurde jedoch durch spätere Beschießungen fast vollständig zerstört, wobei nahezu alle Gräber verloren gingen. Eingehende Nachforschungen zeigen, dass CA 39, obwohl es mehr Gräber des 15. Bataillons enthielt als CA 35, nur letzteres als „Regimentsfriedhof” bezeichnet wird, da es ausschließlich Gräber des 15. Bataillons enthielt. Da CA 35 weiter rückwärts lag, konnte der Bataillonstischler in relativer Sicherheit arbeiten. Die Tatsache, dass CA 35 mit all seinen Gräbern den Krieg unbeschadet überstanden hat und das Kreuz keine Spuren von Artilleriebeschuss aufweist, legt überdies nahe, dass das einzige erhaltene Foto CA 35 zeigt.

Nach dem Waffenstillstand von 1918 wurden die dreiundzwanzig Gräber von CA 35 exhumiert und in Abschnitt II des Nine Elms Military Cemetery umgebettet — ursprünglich angelegt vom 14. Bataillon, Royal Montreal Regiment. Nur drei Gräber von CA 39 blieben identifizierbar und sind in Abschnitt IV zu finden. Die übrigen Bestatteten von CA 39 gingen verloren und werden heute auf einem Sonderdenkmal entlang der Vorderseite des Friedhofs gedacht. Es sei darauf hingewiesen, dass CA 39 ursprünglich als Arras Road Cemetery bekannt war; er darf nicht mit dem Arras Road British Cemetery verwechselt werden.

Eine französische Fotopostkarte von 1919 zeigt deutlich, dass das Vimy-Kreuz des 15. Bataillons (großes Kreuz, zweites von links im Vordergrund) gleichzeitig mit der Umbettung der Gräber in den Nine Elms Military Cemetery überführt worden war.

In der Folge rekonstruierte die CWGC zwischen 1919 und 1923 den Nine Elms Military Cemetery in der heute sichtbaren dauerhaften Form, und alle Kriegsgedenkkreuze wurden entfernt. Im Jahr 1923 erwarben die 48th Highlanders of Canada das Vimy-Kreuz des 15. Bataillons von der CWGC und brachten es in die Kaserne der Einheit in Toronto zurück. Das Kreuz wurde an der Wand über dem Hauptparadeplatz angebracht und am 30. Oktober 1925 im Rahmen einer Zeremonie enthüllt.

Als die Kaserne 1963 abgerissen wurde, wurde das Vimy-Kreuz in das Regimentsmuseum überführt, das sich in der Memorial Hall der 48th Highlanders befand. 1997 zog das Regimentsmuseum an seinen heutigen Standort in der St. Andrew’s Church in der Simcoe Street in Toronto um, und das Vimy-Kreuz ist dort seitdem dauerhaft ausgestellt.

Die Ehrenliste

Eines der Rätsel des Kreuzes ist, warum manche Namen darauf stehen, andere hingegen fehlen. Alle jene Soldaten, die bei CA 35 begraben liegen, erscheinen als Ergänzung zur ursprünglichen Liste, doch nicht alle, die bei CA 39 begraben wurden, waren am Anfang aufgeführt. Einige Namen wurden später hinzugefügt, vielleicht als die Nachricht den Tischler erreichte, und der letzte Name, Leutnant Munro, fiel am 1. Mai 1917. Das Bataillon kehrte nur noch wenige Male in das Gebiet zurück, sodass es vielleicht nicht möglich war, weitere Namen hinzuzufügen. Wir werden es wahrscheinlich nie erfahren.

Diese Liste umfasst alle Vimy-Gefallenen vom 9. April 1917 bis Ende Mai 1917 sowie jene aus dem Juni, die auf dem Friedhof begraben liegen. Stanley Effinger war der letzte Vimy-Gefallene, der an seinen Verwundungen starb.

Contact webmaster

Use this form only for one of the available subject selections. We NEVER respond to sales pitches so don’t waste your time.

Fields marked with an * are required.